Mariap van Urk, geboren Marretje Koffeman (1898–1966), was een Urker dichteres die bekendstond om haar eenvoudige maar oprechte verzen over het dorpsleven, de visserscultuur en het verdwijnen van de Zuiderzee. Ze publiceerde haar gedichten onder meer in De Oprechte Urker en bundelde ze later in uitgaven zoals Vaarwel mijn Zuiderzee (1949). Met haar werk gaf ze stem aan de emoties en herinneringen van een gemeenschap in verandering en groeide ze uit tot een van de bekendste volksdichteressen van Urk.
Hoe mijn eerste gedichtje op “noten” kwam
Reeds lang had ik bekeken
En dikwijls opgelet,
Of een van mijn gedichtjes
Op “noten” kon gezet,
Zoo, met een leutig wijsje,
Gezongen, keer op keer,
Op een vacantiereisje
Rondom het IJselmeer.
En nimmer wilde ’t lukken,
Dan was de maat niet goed,
Of ’t onderwerp niet aardig —
‘k Verloor allengs deemoed.
Daar leen ik van mijn versjes
Uit vriendschap, een vriendin,
Om er eens voor te dragen
Er een naar haren zin.
Zij bracht (’k heb kleine kleuters)
Een zak vol noten aan;
Dat was een vreugd, wij vingen
Direct te kraken aan.
De doppen werden scheepjes,
Een lucifer de mast,
Wij plakten die met stopverf
Goed op den bodem vast.
En op papier een zeiltje —
De kinderen hadden pret.
Zoo werd mijn eerste versje
In “noten” omgezet.